Helmen:

Een helm dient ervoor om schedelletsel te voorkomen. Letsel dat in de bergen kan ontstaan door steen- en ijsslag of door een val. Helmen zijn echter per definitie echter nooit “volmaakt”. Dat betekent, dat ook de beste helm niet helpt als de klap van buiten groot genoeg is.

Vroeger, tot het einde van de jaren 1950 klom men blootshoofds. Soms droeg men een wollen of vilten hoed waaronder dan sokken of oude kranten zaten om een eventuele klap op te vangen. De eerste helm kwam in de herfst van 1960 op de markt en in het begin werd er zelfs nogal lacherig over gedaan.

Er was toen nog geen norm waaraan helmen moesten voldoen. Pas in het begin van de jaren 1970 was de veiligheidsafdeling van de Duitse Alpen Vereniging DAV het eerste instituut, dat helmen machinaal ging testen. Hierbij viel een halfrond gewicht vertikaal op een helm, die op een proefhoofd was gemonteerd. Hiermee kon men het kaf van het koren scheiden.

Ondanks het dragen van helmen kwam het toch tot meerdere ongelukken met letsel aan de schedel. De industrie werkte aan verbetering van helmen, met name aan een hoger energie-absorptie vermogen. Dit bereikte men door modernere materialen en een beter doordachte constructie. De eerste UIAA-norm voor helmen ontstond aan het begin van de jaren 1980. Tot dan toe bestonden alle helmen uit een harde schaal met draagbanden binnenin (tot meer dan 700 gram zwaar), die de kracht- en energie-inwerking moest verdelen over de schedel en overdragen op de nekwervel.

In het begin van de jaren 1990 kwam er een nieuwe ontwikkeling. Het bleek dat de moderne fietshelmen veel meer energie konden opnemen bij een veel lager gewicht dan de klimhelmen. Er waren echter twee nadelen aan de fietshelmen: de ventilatie was berekend op fietssnelheden en er zaten grote openingen in de bovenkant. Hierdoor zouden kleinere stenen en gruis ongehinderd naar binnen kunnen vallen.

De firma Salewa was de eerste die de fietshelmen zodanig ging aanpassen, dat ze ook geschikt werden als klimhelm. Tegenwoordig biedt elk merk zulke lichte helmen aan, maar ook de klassieke helm is verbeterd en lichter geworden en heeft nog steeds enige voordelen t.o.v. de moderne lichte helm.

Alle helmen moeten tegenwoordig aan een norm voldoen. Het belangrijkste criterium hierbij is de veiligheid: het vermogen van een helm om energie op te nemen, zonder dat er onherstelbare schade aangericht wordt aan schedel en/of nekwervel van de drager.

Tegenwoordig onderscheiden we twee soorten helmen: naast de klassieke bergsporthelm (350 – 500 gram zwaar) is er de lichtgewicht helm (220 – 350 gram), de zgn. dubbele schaal helm. Deze lijken erg op de fietshelmen: onder de buitenste, relatief dunne kunststof schaal zit een binnenschaal van dichte styropoor. Vaak zit er dan nog een een simpele bekleding tussen de binnenschaal en het hoofd.

Een nadeel van deze helmen blijft, dat de energieverdeling bij een klap van bovenaf geconcentreerder op de schedel inwerkt, dan bij een klassieke helm. Daar wordt de energie door de draagbanden nl. beter over de hele schedel verdeeld. De inwerking van krachten aan de zij- of achterkant wordt bij een lichtgewicht helm weer beter opgevangen. Tenslotte is de ventilatie van een klassieke helm weer beter, omdat hier geen binnenschaal in zit, die grotendeels kontakt met de schedel heeft.

In het algemeen kan men stellen, dat de klassieke helm beter geschikt is voor alpiene tochten (steenslag), terwijl de moderne helm beter is voor sportklimmen (het opvangen van een val tegen de rots).

 

Volgens de EU-richtlijnen voor “persoonlijke beschermingsuitrusting”, die ook voor klimuitrusting gelden, moeten fabrikanten in de helm het jaartal en het kwartaal van fabricage aangeven. In de verpakking moet een papier zijn waarop staat tot wanneer de helm minstens bruikbaar is. Fabrikanten zullen uit veiligheidsoverwegingen deze levensduur aan de korte kant opgeven. Helmen zijn echter geen levensmiddelen, waarbij het bederf binnen een paar dagen kan optreden. Daarom hoeft men een helm niet meteen na de genoemde datum weg te gooien. Uit verschillende onderzoeken is gebleken, dat moderne helmen veel minder verouderen dan tot dusver werd aangenomen. Dat geldt echter alleen voor normaal gebruik! Als men op een lichtgewicht helm gaat zitten, dan is dat GEEN normaal gebruik: de helm kan inknikken en dat is hetzelfde als een “total loss” door het opvangen van een grote steen!

 

Oudere helmen zonder indicatie van fabricagedatum en gebruiksduur moet men niet meer gebruiken. Vroeger werden kunststoffen toegepast waarvan de verouderingseigenschappen nog niet bekend waren. Het kunststof kan zo bros geworden zijn, dat een steen de helm als glas doet versplinteren!

 

Na een serieuze val van een steen op een helm of een klap tegen de rotsen, dient elke helm vervangen te worden! Zelfs dan als er geen uiterlijke schade zichtbaar is. De draagbanden kunnen uitgerekt zijn, waardoor het vermogen om energie op te nemen (gedeeltelijk) verdwenen is. Hierdoor kan bij een volgende klap de kracht op hoofd of nekwervel zo groot zijn, dat er blijvend letsel ontstaat. Bij moderne lichtgewicht helmen is een beschadiging na het opvangen van een klap meestal goed zichtbaar. Dat betekent niet, dat de helm slecht van kwaliteit is: bij een bepaalde belasting moet een helm vervormen om de energie op te nemen (denk aan de kreukelzone bij auto’s).

 

Gebruik altijd een helm en wacht niet tot het te laat is: bescherm je hoofd – je hebt er maar één!

 

Artikel vrij vertaald uit BERGUNDSTEIGEN 2/2006 – Pit Schubert